Gebied Purmerend - Foto: Rob 't Hart

Spooromgeving

Definitie en opgave spooromgeving

De Spooromgeving

Tot de spooromgeving behoren alle landschappen die de spoorlijn kruisen en de overgang tussen de omgeving en het spoor. Daarmee heeft de spooromgeving enige overlap met het spoor. Hierbij gaat het met name om geluidsschermen en andere afschermingen die doorgaans op de grens van beide domeinen staan en zodoende zowel tot het spoor als tot de spooromgeving behoren. Ook civiele kunstwerken worden tot de spooromgeving gerekend.

Opgave

De opgave voor ontwerp, realisatie en onderhoud in de spooromgeving wordt bepaald door de ontmoeting tussen spoor en landschap, de relatie van het spoor met civiele kunstwerken en andere vormen van infrastructuur (water, wegen) en de gewenste ervaring van reizigers en de omgeving. Bij dit laatste is ook de beleving van omwonenden een belangrijk aandachtspunt.

Algemene visie spooromgeving

De visie op het spooromgeving betreft de relatie tussen het spoor en het omliggende landschap met alle bijhorende infrastructuur en kunstwerken en de daarvoor ontwikkelde deelvisies. De visie heeft een directe relatie met de visie op het spoor en de visie op stations en stationsomgeving.

Reiziger op de eerste rang

Nergens is het Nederlandse landschap zo goed te ervaren als vanuit de trein. Spoorlijnen bewegen zich, zonder afslagen, door landbouwgronden en bossen, steken rivieren over en brengen reizigers via het duin- en kustlandschap zelfs tot aan het strand. Met de reiziger letterlijk op de eerste rang, zorgt dit voor een kenmerkende reiservaring. De ontmoeting tussen spoor en landschap biedt de reiziger afleiding, uitzicht maar ook herkenningspunten: van een spoorbrug, een kenmerkend uitzicht tot de overgang van het ene naar het andere landschapstype en het contrast tussen stad en land. Deze aaneenschakeling van ervaringen geeft de reis kwaliteit en karakter.

Onbelemmerd zicht

Hoewel veel van het spoor aan het zicht van de reiziger wordt onttrokken – hij kijkt er simpelweg overheen – is het elk moment van invloed op zijn beleving. Zo kunnen geluidsschermen of andere afschermingen het uitzicht vanuit de trein sterk beïnvloeden. Ook andere objecten, zoals kasten en gebouwen voor techniek kunnen een rol spelen. Zeker wanneer de trein in de nabijheid van een station langzamer rijdt en de reiziger beter zicht krijgt op de bebouwing en objecten direct langs het spoor. Met de reiziger op de eerste rang is het van belang dat hij een zo onbelemmerd mogelijk uitzicht heeft. Dat betekent dat visuele obstakels als geluidsschermen en andere afschermingen zo veel mogelijk moeten worden vermeden. Waar dat niet mogelijk is, worden deze zó geplaatst en ontworpen dat het zicht vanuit de trein zo onbelemmerd mogelijk blijft.

Binnenkant van het landschap

Reizigers zien vrijwel nooit de voorkant van een landschap. Ze reizen er immers doorheen. Soms zien ze daarbij ook plekken die wat rommelig ogen. In de stad bijvoorbeeld waar de reiziger zicht heeft op de ‘binnenkant’ van de stedelijke omgeving: schuttingen en schuurtjes en andere vaak wat rommelige bebouwing. Lelijkheid is hier geen argument. Net als de prachtige landelijke landschappen die de trein passeert, hoort ook deze ‘kant’ bij de context van het spoor. In zekere zin mag de reiziger hier voyeur zijn. Het merendeel van de reis wordt de reiziger echter door de ‘binnenkant’ van het landschap geleid: dwars door akkers, bossen, weilanden of natuurgebieden. De reiziger heeft hier aan weerszijden uitzicht op plekken waar vrijwel niemand ooit komt. De belevenis kan hier puur en ongefilterd zijn en typerend voor het reizen per trein.

De schone dunne lijn

Het spoor doet zich voor als een dunne lijn door het landschap. De impact op het landschap blijft zo beperkt mogelijk. Dat is goed voor het landschap, maar ook voor de reiziger. Dankzij de dunne lijn kan hij optimaal profiteren van het uitzicht op de omgeving. Repeterende elementen, wanden of lijnen evenwijdig aan de spoorlijn worden in afstemming met de omgeving en met oog voor de beleving van de reiziger ontworpen en geplaatst. Zo blijft de impact van het spoor zo klein mogelijk.

Spoorlijn te gast in landschap

Spoorlijnen liggen bij voorkeur vrij in het landschap. Ze zijn er te gast. Dat betekent dat ze – vanaf een afstand bekeken – zo goed als mogelijk opgaan in het cultuurlandschap. Uitzonderingen daargelaten verandert dat van dichtbij. De spoorlijn blijkt dan zonder pardon door het landschap te snijden. Dit ijle karakter van de spoorlijn versterkt beide verschijningsvormen: enerzijds laat het zijn omgeving maximaal intact, anderzijds versterkt het de scherpte en uitgestrektheid van zijn snede door het landschap. Vanuit beide perspectieven vormt de spoorlijn zo min mogelijk een barrière, zowel in ruimtelijk, functioneel als ecologisch opzicht. Waar dit niet tegelijkertijd mogelijk is, bepaalt de context of de meeste waarde wordt toegekend aan het beperken van de visuele, functionele of ecologische impact.

Veertien landschapstypen

Vanuit de trein laat het Nederlandse landschap zich op unieke wijze lezen. Kijkend uit het raam komen alle veertien Nederlandse landschapstypen voorbij: 

  • Kustzone met strand en duinen
  • Zeekleipolders
  • Terpenlandschap,
  • Hoogveenontginning
  • Veenweidegebied
  • Droogmakerijen
  • Rivierenlandschap
  • Stuwwallenlandschap
  • Zandlandschap
  • Heuvellandschap
  • Open water
  • Solitaire steden
  • Samengestelde steden
  • Solitaire werklandschappen

De veertien verschillende landschapstypen geven kleur aan thema's als de schone, dunne lijn’, ‘spoorlijn te gast in landschap en stad’ en ‘reiziger op de eerste rang’ . Ze maken de beleving eigen. Hiertoe zijn de elf landelijke landschappen ondergebracht binnen drie variabelen die de ruimtelijke basiskenmerken van ieder landschap omvatten: openheid, waterpeil en reliëf. Deze zijn op hun beurt onderverdeeld in open, halfopen en besloten; zeer laag en zeer nat; laag en nat en hoog en droog; en vlak, licht golvend, en heuvelachtig. Daarnaast worden er twee afwijkingen benoemd: het spoor op de grens van twee landschappen en bundeling met andere infrastructuur. De drie stedelijke landschappen worden beschouwd vanuit hun positie ten opzichte van de omgeving: liggend op, boven of onder het maaiveld.

Bijzondere plekken

Daar waar  het spoor en andere vormen van infrastructuur en civiele kunstwerken als viaducten, tunnels en bruggen elkaar ontmoeten, ontstaan kansrijke, bijzondere plekken. Voor de reiziger dienen ze als herkenningspunten tijdens de reis. Voor de omgeving als oriëntatiepunten in het landschap. Ze dienen dan ook vanuit beide perspectieven ontworpen te worden.

Gewenste ervaring spooromgeving

Reizigers­perspectief

In de trein zitten de reizigers droog en afgeschermd van de negatieve invloeden van weer en wind. Los van de geur van een net bemest stuk landbouwgrond, een fabriek aan het spoor of een pas geoogst veld met uien is de ervaring van het landschap nagenoeg geheel visueel. Tijdens de treinreis worden doorgaans meerdere landschappen doorkruist: stedelijke landschappen en landelijke landschappen. Vanuit de trein kan de reiziger deze verscheidenheid ten volle ervaren. Hij zit op de eerste rang en ervaart het landschap van binnenuit: puur en ongefilterd. Reizend door het stedelijk landschap ervaart hij een snelle afwisseling van karakteristieke plekken; soms een scherpe overgang tussen landschap en stad, dan weer een mozaïek aan sferen bij samengestelde steden. Het doorkruisen van de voor de gemiddelde reiziger onbekende industriële werklandschappen heeft een extreme, visuele impact. Zwevend door het landelijke landschap biedt de reis een uniek uitzicht over en op de landschappen. De eenparige beweging, gecombineerd met een constante snelheid zorgt voor een rustgevend effect. Bijzondere bouwwerken als bruggen over rivieren en kanalen, maar ook fly-overs en viaducten geven de mogelijkheid om over het landschap uit te kijken. Het zijn markante oriëntatiepunten tijdens de reis voor zowel de reiziger als de omgeving.

Omgevings­perspectief

Op deze plekken in de routes ervaart men een vloeiend doorlopen van het maaiveld, ook wanneer dit wordt verdiept of opgetild. De gebruiker van het landelijke landschap ervaart een minimale impact van het spoor. Het landschap loopt aan beide zijden van het spoor zoveel mogelijk door, zowel voor de menselijke bezoeker als voor de fauna (eco/viaducten en –tunnels). Het spoor vergroot ook de belevingswaarde voor de directe omgeving. Zowel de ervaring van de lijn in het landschap – die het oog naar de horizon leidt – als de eigen flora en fauna direct langs het spoor zorgen hiervoor. Bijzondere plekken als bruggen over rivieren en kanalen zijn markante oriëntatiepunten. Daarnaast vormen stations in landelijk gebied makkelijke vertrekpunten voor gemarkeerde wandel- en fietstochten voor zowel reizigers als omwonenden. Ook zijn er verschillende wandelroutes en onverharde wegen die deels parallel aan het spoor lopen

Kernwaarden spooromgeving

Alle opgaven rond en in de spooromgeving voldoen aan de kernwaarden toegankelijk, menselijk, vertrouwd en karakteristiek.

Toegankelijk

Vanuit de trein heeft de reiziger een zo goed mogelijk zicht op het landschap. Dit helpt bij de oriëntatie en zorgt voor een positieve bijdrage aan de reisbeleving. Ten aanzien van de omgeving zorgt het spoor voor een goede doorlaatbaarheid en oversteekbaarheid voor fietsers, voetgangers en autonetwerken.

Menselijk

Het spoor zorgt voor een minimum aan (visuele) obstakels opdat de reiziger de omgeving op een prettige manier kan ervaren. De omgeving zelf heeft zo min mogelijk ‘last’ van het spoor. Het spoor is een zo dun mogelijke lijn die het landschap zo veel mogelijk met rust laat. Waar mogelijk wordt overruimte benut en ingezet voor de omgeving en vloeien omgeving en spoorlandschap door een onderling afgestemd beheer in elkaar over.

Vertrouwd

Het spoor draagt zorg voor een (rustgevend), langstrekkend landschap. Dit zorgt voor vertrouwen. Voor de omgeving is het spoorlandschap duidelijk herkenbaar. De impact van de dunne, schone lijn is beperkt. De bovenbouw is generiek, evenals de gebouwen en kasten voor techniek.

Vertrouwd zijn: technische onderdelen van het spoorlandschap, zoals kasten en gebouwen voor techniek, de bovenbouw en de directe omgeving van het spoor.

Karakteristiek

Daar waar spoor en landschap aan elkaar grenzen, is ruimte voor karakteristieke vertalingen en een specifiek en onderling afgestemd beheer. Karakteristiek zijn ook civiele kunstwerken, zoals bruggen, tunnels en viaducten. Naast autonome bouwwerken zijn ook deze ingebed in de omgeving: ze reageren op hun context. Voor reizigers vormen de civiele kunstwerken markante herkenningspunten tijdens de reis. Binnen de omgeving zijn het bijzondere oriëntatiepunten. De onderbouw van spoordijken en taluds hangt direct samen met het landschapstype en de bodemgesteldheid. Geluidsschermen en afschermingen worden geplaatst op basis van de kenmerken van het omliggende landschap.

Karakteristiek zijn: civiele kunstwerken als bruggen en viaducten, beheer aan de randen van het spoorlandschap, spoordijken en taluds, geluidsschermen en afschermingen.

Deelvisies spooromgeving

Visie op geluidsschermen

Het reduceren van geluid langs het spoor kan door geluid te beperken aan de bron (door stiller spoor of dempers) of via geluidsisolatie van de gevels van omliggende bebouwing worden gerealiseerd. Vaak wordt gebruik gemaakt van geluidsschermen, elementen langs het spoor. Deze  geluidsschermen zijn een effectief middel om het geluid (gedeeltelijk) tegen te houden maar zijn heel zichtbaar en beeldbepalend, staan vaak ook letterlijk in het zicht van reizigers en omwonendenen en dragen daardoor helaas vaak ook bij aan een verrommeld landschap of stadsbeeld. De Visie op Geluidsschermen is verwoord in het Handboek Geluidsschermen. Dit vormt een schakel tussen de algemene ruimtelijke visie van het Spoorbeeld en de wettelijke en technische kaders van de OVS 00058. Het handboek geeft inzicht in de randvoorwaarden van functionaliteit en ruimtelijke inpassing van te realiseren geluidsschermen langs het spoor in Nederland. Het stelt zich tot doel meer eenheid te brengen in de toepassing van geluidsschermen. De beleving van het spoor vanuit de omgeving en de beleving van het landschap vanuit de trein staan hierbij centraal.

De Visie op Geluidsschermen stelt dat de vormgeving van een scherm gerelateerd dient te zijn aan zijn omgeving. Zo wordt de ongewenste diversiteit langs het spoor beperkt en kan een impuls gegeven worden aan de ruimtelijke kwaliteit van en langs het spoor. Het handboek ondersteunt ontwerpers bij de motivatie van hun keuze voor een geluidsscherm bij specifieke projecten en situaties, en geeft bestuurders en beleidsmakers inzicht in de opgave. Het beschrijft een aantal veelvoorkomende situaties waarin schermen voorkomen en draagt oplossingsrichtingen aan.

Bundeling met andere infrastructuur

Op die plekken waar het spoor parallel loopt met andere structuren in het landschap ontstaan vaak bijzondere beelden. Meestal gaat het om robuuste elementen als kanalen en snelwegen, vaak geaccentueerd door begeleidende beplanting. Dergelijke bundels hebben een eigen esthetiek. Ze zijn veel minder subtiel en kwetsbaar dan de ‘schone, dunne en autonome lijnen’ van het spoor. Veel vaker vormen deze bundels hun eigen landschap. De relatie tussen de infrastructuren onderling en de verhouding tot de tussengebieden en het omliggende landschap vormen belangrijke ontwerpopgaven.

Visie op civiele kunstwerken

Zeker de grote civiele kunstwerken, zoals bruggen, tunnels en viaducten vormen duidelijke herkenningspunten voor de reizigers. Het zijn markante momenten tijdens de reis. Daarnaast hebben ze veel betekenis voor de omgeving. Doel van het Spoorbeeld is het versterken van de ervaring van de reiziger en die vanuit de omgeving én een goede inbedding binnen het omliggende landschap.

Grote bruggen

Grotere spoorbruggen vormen karakteristieke en markante elementen in het landschap en verdienen een bovengemiddelde, ontwerpende aandacht. Bestemd voor de oversteek van rivieren en kanalen zijn het tevens belangrijke oriëntatiepunten in de omgeving en tijdens de reis. In het rivierengebied weerspiegelen ze samen met een of twee reeksen aanbruggen het rivierensysteem dat wordt gekruist. Hoog gelegen bruggen worden ‘ingeleid’ door flauwe en daardoor lange hellingen. Door de geleidelijke stijging, wordt de sprong over het water over een grote lengte voelbaar. Hierdoor heeft de treinreiziger ruim de tijd om het landschap vanuit een hoge positie te bekijken, vaak met uitzicht over een van de grote rivieren. Obstakels die het uitzicht belemmeren, zoals struiken en hekken, worden hier zo veel mogelijk vermeden.

Kleine bruggen

Kleinere spoorbruggen hebben doorgaans minder impact op de beleving van de reiziger. Ook hebben ze vaak niet dezelfde impact op het landschap als de grote bruggen, zeker niet vanaf een afstand. Desondanks verdienen ook kleine bruggen ontwerpende aandacht en een goede inpassing binnen het omliggende landschap. Combinaties met recreatieve en ecologische functies kunnen de hechting aan de omgeving versterken.

Visie op emplacementen

Op veel plaatsen langs het spoor, vooral in de buurt van grote en middelgrote stations, liggen emplacementen. Sommige zijn nog volop in gebruik, andere liggen er verlaten bij of zijn geheel of gedeeltelijk ontmanteld. De emplacementen die nog in gebruik zijn, vormen de werklandschappen van het spoor. Ze geven inzicht in de dynamiek van het spoorbedrijf die zowel vanuit de trein als vanuit het omliggende landschap ervaarbaar is. Ook de verlaten emplacementen dragen bij aan de (reis)beleving. Melancholie en romantiek komen hier niet zelden samen. Daarnaast beschikken verlaten emplacementen vaak over hoge ecologische waarden. Het geheel aan spoorbermen in Nederland kan als de grootste ecologische structuur van het land worden beschouwd. Hoewel de verleiding vaak groot is om in onbruik geraakte emplacementen een nieuwe rendabele functie te geven, kan ook overwogen worden om in samenwerking met overheden en andere partijen een stuk spoorhistorie te behouden. Ook een gemengde ontwikkeling is denkbaar waarbij het bestaande karakter – de melancholie en de romantiek – uitgangspunt is.

Overhoeken bij spoorwegsplitsingen

Daar waar het spoor zich splitst, ontstaan tussen de wijkende spoorlijnen vaak restgebieden. Deze zijn vaak geïsoleerd komen te liggen door kruisingen met andere wegen of lijnen. In de praktijk worden dit soort plekken al snel anders ingericht dan het omliggende landschap. Natuurontwikkeling komt vanwege het extensieve beheer veel voor. Alternatieve invullingen, in combinatie met een (vaak ongelijkvloerse) splitsing, leveren meestal een onrustig en rommelig geheel op. Een open, natuurlijke invulling die past bij het landschap heeft de voorkeur. Hiermee blijft het overzicht op de splitsing van de sporen behouden. Uit oogpunt van landschappelijke continuïteit (schone, dunne lijn te gast in landschap en stad) gaat de voorkeur uit naar een inrichting die past bij het omringende landschap.

Kruising spoor en andere infrastructuur

Deze visie beschrijft de houding ten opzichte van doorgaans ongelijkvloerse kruisingen met waterwegen, snelwegen en andere typen infrastructuur. Uitgangspunt is een goede, contextuele integratie binnen het omliggende landschap en de wens/noodzaak om van de technische opgave tevens een ruimtelijke opgave te maken.

Visie objecten langs het spoor

Dit betreft een visie op de gebouwen en kasten voor de techniek van de bovenbouw in het spoorweglandschap: sporen (wissels), tractie, beveiliging en telecom. Daarnaast omvat de visie alle andere (generieke) objecten die langs het spoor te vinden zijn.

Visie op (nieuwe) lijnen

Deze visie is bestemd voor de aanleg van nieuwe lijnen, spoorverbredingen en andere aanpassingen van de bestaande tracés. Uitgangspunt is het ‘denken vanuit de omgeving’.

Visie op bundeling

Deze visie is bestemd voor de aanleg van nieuwe lijnen dan wel wegen, spoor- en/of wegverbredingen en andere aanpassingen van de bestaande tracés. Uitgangspunten zijn het ‘denken vanuit de omgeving’, en het ‘denken vanuit de bundeling’.

Visie op afscherming

Deze visie betreft het ontwikkelen van een visie op hekwerken en andere soorten van afscherming. Op dit moment wordt er gebruik gemaakt van een standaard hekwerk dat geselecteerd is op basis van technische specificaties. In navolging van de visie op geluidsschermen zou (door ProRail) een visie op afschermingen ontwikkeld kunnen worden waarin een aantal varianten wordt omschreven. zodat op basis van omgevingskenmerken de best passende afscherming gekozen kan worden.

Visie op ontsnippering

Omdat natuur gebaat is bij zo groot mogelijke natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingszones voor planten en dieren, wordt sinds 1990 gewerkt aan de ecologische hoofdstructuur (EHS). De EHS moet op termijn leiden tot een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden. Spoorbermen leveren een belangrijke bijdrage aan de ecologische structuur van Nederland. Ondertussen vormt het spoor echter ook een barrière in natuurgebieden. Om dat laatste te ondervangen, werkt ProRail mee aan het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO). Daarbij gaat het om de realisatie van ruim tweehonderd ecologische verbindingen in het ecologische netwerk over infrastructurele barrières van uiteenlopende aard. Bij ruim tachtig van deze verbindingen is een spoorlijn betrokken. Bij plaatsing van een ecoduct of een ander type ecologische verbinding is het van belang dat dit qua ontwerp en uitstraling onderdeel uitmaakt van het omringende landschap.

Visie op beheer

ProRail heeft zo’n 7.000 hectare Nederlands grondgebied in beheer. Dit staat gelijk aan een fors natuurgebied met een omvang van de natuurreservaten De Wieden en De Weerribben tezamen. Bijna de helft van het gebied wordt ingenomen door de spoorbermen die, met een gemiddelde breedte van zes meter per zijde, een ecologisch netwerk door heel Nederland vormen. De wettelijke beheersgrens ligt overigens op elf meter, los van de vraag van wie de grond is. Een opmerkelijke eigenschap van de spoorgebonden natuur komt voort uit de techniek van het aanleggen van spoorlijnen in Nederland. Hierdoor is de bodemsamenstelling in de zone direct langs het spoor – en daarmee in grote lijnen ook de beplanting langs het spoor in heel Nederland – zeer vergelijkbaar. De spoorberm functioneert als migratieroute voor (soms typisch spoorgebonden) planten en de bijbehorende dieren. In een zandige omgeving zullen die soorten ook elders te vinden zijn, maar op plaatsen waar het spoor door klei of veen loopt kan dat tot opmerkelijke contrasten en overgangen in de beplanting leiden.

De spoorsector is zich zeer bewust van de ecologische potenties van de spoorbermen. Ze worden sinds enkele decennia op ecologische wijze beheerd, al blijft het veiligheidsaspect leidend. De visie op beheer stimuleert dit en ontwikkelt dit verder. Het daagt uit om, daar waar mogelijk, ook beherende partijen in de omgeving te betrekken bij de ervaring van het spoor. De gezamenlijke visie van spoor- en omgevingspartijen kan worden ontwikkeld op basis van de expertise van ProRail en op de ‘binnenkant van het landschap’ waarbij een relatie wordt gelegd tussen de leesbaarheid van het landschap en het landschapseigen onderhoud.

Kunst in de spooromgeving

Kunst is een belangrijk middel om de belevingswaarde en de identiteit van het spoor te versterken.

Kunst is bij uitstek een medium om de (reis)ervaring te intensiveren en reizigers bewust te maken van hun omgeving en van elkaar. Kunst versterkt de beleving van beide werelden. Bovendien kan het een brug slaan tussen verschillende ruimten en omgevingen en geeft het een nieuwe invulling aan de traditie van spooriconografie, ambacht en de thematiek van het reizen die zo eigen is aan het spoor. Zo kan kunst de spooridentiteit en de belevingswaarde van het spoor intensiveren. Kunst neemt een bijzondere positie in binnen het Spoor: het begeeft zich niet op het niveau van merkidentiteit of op het niveau van de grote ruimtelijke opgaven. Het zit daar ergens tussenin. Juist door die ‘vrije’ positie die zo eigen is aan kunst wordt de culturele lading van het spoor zichtbaar en beleefbaar, als volwaardige kwaliteitsimpuls.

Kunst in de spooromgeving betreft de gehele spooromgeving: van de reis van deur tot deur tot alle onderwerpen en thema’s die daaraan gekoppeld kunnen worden. Het gaat hier om bredere thema’s en toepassingen die meer landschapsgericht en gebiedsoverstijgend zijn. Kunst in de spooromgeving is daarmee het enige toepassingsniveau dat niet direct aan ‘hardware’ gekoppeld kan worden. Het kan wel leiden tot een programma, van waaruit sturing gegeven kan worden aan algemene aan het spoor verwante opgaven; opgaven waartoe opdrachten, gerelateerd aan de andere toepassingsniveaus, zich kunnen verhouden, en van waaruit een krachtigere samenhang kan worden ontwikkeld.

Kaders spooromgeving

Kaders uit de Visie op geluidsschermen

Het spoor manifesteert zich als een doorgaande lijn in het landschap. Naast de gewenste geluidswerende werking kan een geluidsscherm het spoor voor een wijk of industriegebied aan het oog onttrekken, hetgeen soms gewenst kan zijn. In de vormgeving van de afscherming staat de doorgaande, visuele lijn centraal. Het zicht op het landschap is een van de vertrouwde elementen tijdens een treinreis. De vormgeving van een geluidsscherm dient hiermee rekening mee te houden. De doorgaande lijn moet rust en continuïteit voor de reiziger creëren. Zowel vanuit de trein als vanuit de omgeving moet het scherm begrijpelijk en vanzelfsprekend overkomen.

Ontwerpprincipes spooromgeving

Richtlijnen voor geluidsschermen

Een geluidsscherm heeft altijd twee kanten: één kant van het scherm (de binnenkant) grenst aan het spoor, de andere kant (de buitenkant) grenst aan de omgeving waar het spoor doorheen snijdt. De vormgevingseisen voor de binnenkant van het scherm komen voort uit de eigenschappen van het spoor zelf en de beleving van treinreizigers. Vormgevingseisen voor de buitenkant van een scherm worden bepaald door het karakter van de omgeving, de confrontatie met het lokale wegennet en de beleving van omwonenden en weggebruikers. Ook de binnenkant van het scherm kan voor de omgeving de zichtbare kant zijn, bijvoorbeeld in het geval van een enkelzijdig geplaatst scherm of als er vanuit hoge bebouwing op het scherm wordt neergekeken. Bij stations is de binnenkant van het geluidsscherm ook een belangrijke zijde, omdat treinreizigers op het perron tussen de schermen staan te wachten op hun trein. Bij de ontwikkeling van geluidsschermen in stationsgebieden moeten zowel het schermtype, de plaats als de vormgeving op de omgeving worden afgestemd.