Het eerste forenzen-station van Nederland

Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum
Station Naarden-Bussum

Eerste railway suburb van Nederland wordt zichtbaar

Het prachtige station Naarden Bussum van architect H.G.J. Schelling uit 1925 is het oudst overgebleven station met een plat dak en een moderne vormgeving van Nederland. Het is een stoer, maar uiterst verfijnd gebouw, gesloten en kubisch aan de buitenkant, bijna klassiek en elegant aan de binnenkant. We zien de invloeden van het vroege modernisme en haar voorlopers: Frank Lloyd Wright, Dudok, J.J.P. Oud en Robert van ‘t Hoff. Bovendien is dit het eerste, nog bestaande station van architect H.G.J. Schelling die een belangrijke plaats inneemt in de spoorwegarchitectuur. Met name door zijn vooroorlogse nieuw-zakelijke stations Muiderpoort en Amstel in Amsterdam, waarin hij typologische vernieuwingen deed, en na de oorlog door een zeer consequente reeks van stations in Arnhem, Leiden, Enschede, Zutphen en Hengelo, waarin hij een modulair betonsysteem hanteerde dat was geïnspireerd op het betonnen classicisme van de Franse architect Auguste Perret.

Maar Naarden-Bussum is ook bijzonder om een andere reden. Het gebouw markeert het moment waarop de spoorwegen voor het eerst de suburb serieus begonnen te nemen als de toekomst van de Nederlandse stad, en dus als context voor haar stations en haar spoorlijnen. De suburb wordt dikwijls in verband gebracht met de auto, maar de eerste suburbs zoals wij die kennen: uitgestrekte wijken met in royaal groen ingebedde vrijstaande huizen voor de (hogere) middenklasse, werden in feite mogelijk gemaakt door de aanleg van spoorwegen. Dit geldt voor de eerste railway suburbs  in Engeland en Amerika, en dus ook voor Naarden-Bussum, één van de eerste Nederlandse suburbs. Door spoorverbindingen konden mensen tot tientallen kilometers buiten de stad wonen in een groene omgeving, en toch in het centrum blijven werken. Dit heeft vanaf het einde van de negentiende eeuw een hele golf van verstedelijking veroorzaakt, en een hele nieuwe life style mogelijk gemaakt, die daarvoor alleen aan de allerrijksten voorbehouden was.

Het suburbane wonen

Station Naarden-Bussum staat dan ook te midden van een mooie villawijk die in het begin van de twintigste eeuw werd gebouwd, omdat deze aan de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort lag. Toen het spoor werd aangelegd, en zelfs een eerste station was gebouwd, werd het reuzenpotentieel van het nieuwe verschijnsel ‘forenzen’ echter nauwelijks door de spooringenieurs aangegrepen. Van de treinen die over dit spoor reden, stopten slechts de helft in Bussum. En om in Bussum uit te stappen, moesten reizigers op bepaalde tijden gebruik maken van de zogenaamde ‘Slip’. Zij moesten dan in de achterste wagon stappen die bemand was met een remmer. Enkele kilometers voor Bussum werd de wagon dan al rijdend afgekoppeld en moest deze op de resterende snelheid het station binnen lopen. De remmer zorgde dat de wagon op de juiste plek stil stond. Dit is tekenend voor de weerstand tegen een verder in de wereld al heel lang ingeburgerd en door planners en bestuurders geaccepteerd verschijnsel: het suburbane wonen. Aannemers en ontwikkelaars, vermogende middenklasse gezinnen maar ook de lagere middenklasse, begrepen het echter maar al te goed en bevolkten het oude dorp Bussum en de lege vlakte tussen Bussum en het vestingdorp Naarden. Rond 1914 zag men het potentieel en het belang van dit forenzendorp en begon men aan de bouw van een nieuw station dat dit moest uitstralen en ook beter uitgerust zou zijn voor het groeiende aantal reizigers. Maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam men vooralsnog niet verder dan de gebouwen op het middenperron en de bijbehorende tunnels die voor een betere ontsluiting zorgden. De bouw van het voorgebouw werd uitgesteld en het station functioneerde zo tot 1926 met een noodstation dat werd ingericht in een timmerloods.

Experimenteren met een nieuw type station

Vóór Naarden Bussum werden monumentale stations in Nederland meestal aan de rand van het oude stadscentrum gebouwd, dikwijls op door ontmanteling van stadsmuren en vestingen vrijgekomen zones. De spoorwegen werden in eerste instantie dan ook gezien als verbindingen tussen de harten van de grote steden. Dorpen en kleine steden kregen in overeenstemming hiermee meestal bescheiden standaardstations, zonder monumentale ambities. Naarden-Bussum laat echter zien dat rond zo’n station, in the middle of nowhere, zich ineens een nieuwe ‘stad’ kan vormen. Een stedelijk gebied dat een hele nieuwe levensstijl vertegenwoordigt en die profetisch zou zijn voor de toekomst van de stad. En bij deze toekomstige stad, hoorde ook een bouwstijl van de toekomst, dus geen stilistische verwijzingen naar de renaissance, of de gotiek, geen referenties aan kastelen, paleizen of ‘poorten’, maar een stijl die men associeerde met het moderne en mondaine leven van de forens. In deze moderne stijl experimenteerde Schelling met de plattegrond, op zoek naar een bijpassende moderne typologie die naadloos aan zou kunnen sluiten op de vele verschillende vervoersstromen en modaliteiten die bij en in een station samenkomen. Wat hij in Naarden-Bussum leerde zou hij later toepassen en vervolmaken in zijn Amsterdamse stations die echte reizigersmachines zijn geworden en Naarden-Bussum is daarmee te zien als een schetsontwerp hiervoor.

Tegelijkertijd moest dit nieuwe forenzenleven natuurlijk ook haar ontmoetingsplekken en haar symbolen hebben. In plaats van de stadsboulevard of het dorpsplein werd dat het voorplein en interieur van het station. Het station als de plek waar het suburbane leven van Naarden-Bussum zich concentreerde, als de plek waar iedereen ‘s ochtends en ’s avonds doorheen ging en elkaar kon tegenkomen.

Station Naarden-Bussum is een voorbeeld van een interessante feedback, waarin de architecten van het spoor reageerden op stedelijke ontwikkelingen die het spoor zelf had veroorzaakt, maar waar ze op geen enkele wijze rekening mee hadden gehouden. En dat is natuurlijk het verhaal van de twintigste eeuw gebleken: dat ingenieurs, planners en architecten heel veel kunnen doen aan de stad, ze kunnen haar opschonen, moderniseren, transformeren, herstructureren, uitbreiden en conserveren, maar er is één ding dat ze niet kunnen doen en dat is haar voorspellen.