De waarde van een Collectie

Dynamiek

Stationslocaties behoren samen met de vliegvelden en snelweglocaties tot de meest dynamische gebieden van het land. De railinfrastructuur is de afgelopen jaren drastisch uitgebreid en wordt verknoopt met andere vormen van vervoer. De stations verwerken steeds meer reizigers. Ze krijgen meer commerciële functies en hun omgeving leent zich uitstekend voor de vestiging van kantoren, winkels, scholen en woningen. Om te blijven functioneren worden stations en stationsomgevingen geregeld verbouwd, variërend van het plaatsen van een lift, het verbreden van een passagierstunnel of het toevoegen van roltrappen en commerciële functies, tot de bouw van spoortunnels en compleet nieuwe terminals. Gegeven de dynamiek is het eigenlijk verbazingwekkend hoeveel oude stationsgebouwen zijn overgebleven en hun functie hebben weten te behouden. Tientallen stations hebben de status van rijksmonument, provinciaal of gemeentelijk monument.

Risicofactor of verworvenheid?

Bij zowel de beschermde als de onbeschermde stations speelt een constante discussie met gemeenten en belanghebbenden over hoeveel veranderingen aan stationslocaties mogelijk zijn zonder dat de cultuurhistorische kwaliteit in het geding komt. Gegeven de veranderdruk en de tijdsdruk verwordt de historische waarde voor de spoorse sector gemakkelijk tot een risicofactor, in plaats van een verworvenheid. Toch dragen de monumentale en bijzondere stations positief bij aan de reizigersbeleving en de herkenbaarheid van het netwerk, nog afgezien van hun betekenis als belangrijke monumenten van bedrijf en techniek in Nederland.

Om de positieve betekenis van erfgoed voor de spoorwegen meer aandacht te geven besloot spoorbouwmeester Nathalie de Vries om een eigen visie op de cultuurhistorische kwaliteit van de stations te ontwikkelen. Dit moest ertoe leiden dat in de toekomst de onvermijdelijke veranderingen aan stations even vanzelfsprekend als zorgvuldig worden afgestemd op hun cultuurhistorische waarde. Het vormde de aanleiding om De Collectie stations op te stellen, in samenwerking met Crimson Architectural Historians en SteenhuisMeurs. Een lange lijst van operationele stations in Nederland was het startpunt. De bijbehorende vraag van Bureau Spoor­bouwmeester was welke stations door hun geschiedenis of architectuur van zo’n bijzondere waarde zijn dat ze een aparte behandeling verdienen in het alledaagse beheer en bij grote interventies.

Hoe kiezen?

Een blik op de groslijst maakte meteen duidelijk dat bepaalde stations niet zouden mogen ontbreken in De Collectie. Het zijn iconen van de NS, zoals Amsterdam Centraal, Haarlem, en Tilburg. Verder zou het moeten gaan om een selectie van zowel de unieke toppers met een uitzonderlijke kwaliteit, als de in grote aantallen gerealiseerde ‘standaardstations’ met een representatieve kwaliteit. De vraag was eigenlijk om een bindend verhaal te schrijven, dat alle losse pareltjes van stationsarchitectuur samenvoegt tot één Collectie.  In zo’n verhaal zijn Horst-Sevenum en Bussum-Zuid net zo belangrijk als Zwolle en Maastricht. Door te werken met verbindende thema’s kreeg de Collectie samenhang: alle stations vertellen samen het verhaal van de geschiedenis van de stationsarchitectuur.

Uit ruim anderhalve eeuw spoor in Nederland dienden zich als vanzelf de thema’s die in De Collectie aan bod moesten komen. De stations bleken op verschillende manieren in clusters gegroepeerd te kunnen worden, waarbij met aanvullend onderzoek werd onderzocht welke stations van ieder cluster het meest zuiver en gaaf waren gebleven. Zo kreeg De Collectie op haast terloopse wijze gestalte. De iconen werden aangevuld met representatieve voorbeelden uit alle clusters, waarbij een mooie spreiding door het land en door de tijd ontstond. Het vooroorlogse deel van de Collectie bevat 31 stations. Het zijn achtereenvolgens iconen aan het spoor, de erfenis van de vele spoorwegmaatschappijen die ooit bestonden, een keuze uit de verzameling standaardstations van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (MESS) en bijzondere stationsarchitectuur. De 19 stations uit de naoorlogse collectie zijn ingedeeld in clusters van spoorbouwmeesters (Schelling, Van Ravensteyn, Van der Gaast en Douma), gebouwtypes (parapludak, standaardstations) en architectuuropvattingen (modernistisch, late modern, NS-tech, postmodern).

Erfgoed als beleid

NS en Prorail hebben De Collectie vastgesteld als vertrekpunt voor het ontwikkelen van een visie op het eigen erfgoed. Bij die gelegenheid verscheen een boek waarin de 50 stations zijn beschreven. Al meteen werd duidelijk hoe dynamisch De Collectie is, omdat voor een aanzienlijk aantal stations verbouwingsplannen in voorbereiding waren. Als proef zijn voor deze stations cultuurhistorische analyses gemaakt, om te kunnen bepalen waar de kwaliteit in zit en vooral met aanbevelingen te komen voor behoud en passende ontwikkelingen. Zo krijgen de ontwerpers en beheerders informatie en inspiratie om vanuit de bijzondere bestaande kwaliteit de stations te transformeren. Het is een stap op weg naar een vanzelfsprekende houding bij iedereen die betrokken is bij het beheer en de verbouwingen om bij stations van De Collectie altijd te zoeken naar maatwerk.

Onderzoek en waardestelling

De volgende stap van NS Stations en Prorail is om de cultuurhistorische waarde van de gehele collectie beter in beeld te krijgen. Voor tientallen stations is opdracht gegeven om een cultuurhistorische analyse te maken, hierbij zijn zes verschillende onderzoeksbureaus betrokken. Er wordt gekeken met welke bedoelingen de stations werden ontworpen, wat hiervan nu nog is terug te vinden en welke kwaliteiten van de stations in de toekomst behouden zouden moeten blijven. Ook wordt in de waardeanalyse gekeken naar de kansen die zich in de toekomst mogelijk gaan aandienen om de bestaande kwaliteit of uitgangspunten nieuwe betekenis te geven en te komen tot stations die herkenbaar, historisch, eigentijds en functioneel zijn. Deze onderzoeken worden in de loop van 2012 en 2013 opgeleverd en zullen standaard bij elke ingreep aan de stations van De Collectie die zich voordoen ter hand worden genomen, als bron van kennis en als kader om ontwerpen op te kunnen toetsen.

Vergeleken met onderzoeksmethoden uit de monumentenzorg, onderscheidt deze aanpak zich van de nadruk op functionaliteit en ontwikkelmogelijkheden. Dat is ook precies wat De Collectie anders maakt dan een monumentenlijst: het doel is niet om gebouwen te behouden maar om bijzondere stations zowel up-to-date te blijven maken als hun eigenheid te laten behouden. Zo kan De Collectie bijdragen aan het verrijken van de reizigersbeleving en de kwaliteit van de stationslocaties in Nederland.