Minisymposium Erf goed!

Op het Jaarevent 2013 van Bureau Spoor­bouwmeester stond het gebruik en hergebruik van (spoor)erfgoed centraal. Dit keer had het event de vorm van een mini-symposium, Erf Goed! getiteld. Ruim 120 belangstellenden bezochten het symposium dat plaatsvond in de reeds herbestemde Veerensmederij in Amersfoort.  Centrale vragen: hoe zorgen we dat bestaande stationsgebouwen een vitale rol kunnen blijven spelen, zowel als station als in de stedelijke omgeving? En wat zou de langetermijnvisie van de spoorsector moeten zijn op beheer, onderhoud en ontwikkeling van het waardevolle vastgoed?

Op het minisymposium wees Spoor­bouwmeester Koen van Velsen tijdens zijn introductie op de opgaven en kansen die de rijke geschiedenis ons biedt. Hij hield een pleidooi voor een goede omgang met het spoorerfgoed. Ook wees hij op het belang de visie op erfgoed een prominente plek te geven in het Spoorbeeld, het vormgevingsbeleid van de spoorsector. “Door bewust te zijn van de cultuurhistorische waarde en de gebruiksmogelijkheden van ons erfgoed, kunnen we betere keuzes maken in het duurzaam gebruik en hergebruik van onze gebouwen en ons spoornetwerk.” Ook benadrukte hij de bijzondere positie van het spoorse erfgoed. “Stations en gebouwen in de spooromgeving hebben een heel eigen dynamiek en potentie die zich onderscheiden van veel ander erfgoed.” Van Velsen ging verder in op de transformatie van stationsgebouwen en het spanningsveld tussen behoud en gebruik.

Na de introductie lieten Rijksbouwmeester Frits van Dongen, architectuurhistoricus en architect Paul Meurs, ontwikkelaar Sylvia Pijnenborg en ontwerper Bert Dirrix hun licht schijnen op de thematiek. Frits van Dongen toonde diverse geslaagde voorbeelden van herbestemming en sloot aan op zijn recente pleidooi voor een rigoureus andere bouwcultuur. Na jaren van ongekende expansie – welhaast een tweede Gouden Eeuw – is het tijd voor een heel andere opgave waarin de herbestemmingsopgave aan betekenis zal winnen. “De enorme leegstand van kantoren, bedrijfsterreinen, woonhuizen, winkels en monumenten, maakt creatief nadenken over herbestemming urgent en tot de nieuwe bouwopgave,” aldus de Rijksbouwmeester.

Paul Meurs ging in zijn bijdrage in op het spanningsveld tussen behoud en de ontwikkeling ten behoeve van hedendaags gebruik. Volgens Meurs speelt dat voor stations in hoge mate: “De belangrijkste cultuurhistorische kwaliteit van een station is de functie. Behoud van stations is synoniem aan ontwikkeling. Zonder reizigers en zonder trein hebben we een loos decor.” Volgens Meurs is het van belang een duidelijk beeld te hebben van de essentiële monumentale waardes van stations. “Alleen dan kan in de alledaagse werkelijkheid van kleine en grote aanpassingen recht worden gedaan aan die cultuurhistorische kwaliteit.” Verder ging hij in op de geleidelijke omslag in het denken over monumenten. “Het overstijgen van de ‘behoudsreflex’ is lastig maar met vallen en opstaan is de sector aan het leren. Ook komt er volgens Meurs steeds meer aandacht voor de immateriële kant: de authentieke en associatieve waarden van erfgoed. Hij besloot met een pleidooi voor de rol die goede waardestellingen kunnen spelen in de ontwikkeling van het (spoor)erfgoed. “Met de waardestellingen kunnen we de dialoog aangaan met ontwerpers en kijken hoe bestaande waarden toepaspaar zijn voor de toekomst.”

Sylvia Pijnenborg stelde vooral de kansen van een gebouw vanuit de erfgoedkwaliteiten centraal. Ze deed dat vanuit het perspectief van BOEi, een non-profit ontwikkelaar en exploitant van erfgoed. Pijnenborg illustreerde haar visie met diverse gerealiseerde projecten, verspreid gelegen  over Nederland, zoals Museum De Kantfabriek in Horst aan de Maas en de De Locloods bij station Rosendaal. Vooral de aandacht voor de gebruikswaarde en de hechting van nieuwe functies aan de omgeving is kenmerkend voor BOEi. Ook benoemde Pijnenborg veel voorkomende obstakels en oplossingen. Tot slot ging ze in op de gevolgen en zeker ook de kansen van de crisis voor het (her)gebruik van erfgoed.

Architect Bert Dirrix behandelde in zijn lezing de veelsoortige dilemma’s die bij herbestemming en hergebruik aan de orde zijn. “Dit maakt herbestemming onvoorspelbaar en avontuurlijk.” Volgens Dirrix is de rol van de architect meer verstrekkend dan in het reguliere proces waar verantwoordelijkheden en werkzaamheden steeds geringer worden. “Zeker bij herbestemming moet je als architect op zoek naar de essentie van een gebouw. Daarin schuilt de waarde.” Ook haalde hij Alvaro Siza aan die tijdens een gesprek over zijn ontwerp voor de woontoren New Orleans in Rotterdam op een vraag over de relatie tussen schoonheid en functionaliteit antwoordde: “If it’s beautiful, it’s functional. Dirrix keerde deze bewering uitdagend ook om: If it’s functional, it’s beautiful’. Verder ging hij in op het bewust ‘rauw’ houden van onderdelen bij een herbestemming dan wel het heel bewust zicht dan wel voelbaar maken van de (gebruiks)geschiedenis van een gebouw.

Na deze vier bijdragen sprak Miguel Loos van het Bureau Spoor­bouwmeester over de kansen en opgaven voor gebruik en hergebruik van Erfgoed in de spoorsector. Hij gaf een toelichting op de relevantie en de actualiteit van het thema aan hand van concrete voorbeelden. Loos benoemde in zijn verhaal een aantal verschillende opgaven in relatie tot het erfgoed. Een omvangrijke opgave ligt in de ‘Dynamische Monumenten’, grote stations zoals Amsterdam Centraal de inmiddels al aan hun zoveelste verbouwing toe zijn en uitgegroeid zijn tot grote multimodale knooppunten. Maar ook grote monumentale stations als Groningen en Zwolle waar bovendien het erfgoed zelf vaak letterlijk ‘gepasseerd’ wordt. “Reizigers lopen hier niet meer door de oude stationshal die de overgang tussen spoor en omgeving markeert. Ze lopen er omheen”. Het is interessant te kijken hoe deze relatie en deze vaak prachtige ruimten toch weer een volwaardige bijdrage kunnen gaan leveren aan de reisbeleving. Een tweede categorie zijn stations als Nijmegen en Maastricht waar door een efficiencyslag functieverlies is opgetreden. Heir liggen ‘Kansen door krimp’. Een derde categorie is ‘van leeg tot levendig’: vaak kleinere stations die totaal geen functie meer hebben. Stationschef en kaartjesverkoop zijn verdwenen. Een abri en een kaartautomaat doen het werk. Tot slot ligt er een opgave in de parels langs het spoor: van seinhuisjes tot bruggen. Vaak zijn dit markante bouwwerken, qua architectuur en/of ingenieurskunst.

Extra interessant zijn volgens Loos juist die projecten waar de herbestemming een duidelijke relatie heeft met de reizigers en de reis. Het project Prettig Wachten heeft wat dat betreft het nodige opgebracht. Een recent voorbeeld is Gorinchem waar de wachtruimte volwaardig en hoogwaardig is gerevitaliseerd. Een ander al wat bekender voorbeeld is Wolvega waar de wachtruimte is omgevormd tot een fleurige huiskamer met daarin ruimte voor een bloemist die mede met een simpele koffiemachine het wachten weer prettig maakt. In zijn enthousiaste verhaal sprak Loos verder de hoop en wens uit dat nog veel meer in onbruik geraakt erfgoed een dynamische nieuwe bestemming kan krijgen, natuurlijk het liefst gekoppeld aan de reis. Van de geweldige zolders boven stationsgebouwen tot oude douaneloodsen en vele andere plekken waar achter systeemplafonds prachtige ruimten schuilgaan.

Het thema werd op basis van de verschillende bijdragen verder uitgediept in een paneldiscussie onder leiding van Bernard Colenbrander waarin naast Frits van Dongen, Paul Meurs, Sylvia Pijnenborg, Bert Dirrix en Koen van Velsen ook Paul Rutte (directeur Ontwikkelbedrijf NS Stations) en Ronald Nomes (directeur Stations ProRail) aanschoven. Hierin benadrukte Spoor­bouwmeester Koen van Velsen het belang van maatwerk. “Ieder station verdient een eigen aanpak, passend bij de omgeving. Erfgoedkwaliteiten kunnen hierin een belangrijke inspirerende rol spelen.”

Het Symposium Erf Goed! en de toekomstige aandacht voor hergebruik staan in het verlengde van eerdere initiatieven zoals De Collectie. Het thema zal de komende periode een van de speerpunten zijn in het werk van Bureau Spoor­bouwmeester. Bureau Spoor­bouwmeester wil met het symposium en de nog komende activiteiten rond de kansen en mogelijkheden van hergebruik ook aandacht vragen voor de duurzame component van een goede omgang met erfgoed. Duurzaamheid schuilt immers ook in een goede omgang met bestaande waarden. Natuurlijk is leegstand onwenselijk en leidt het niet zelden tot verloedering. Soms lijkt sloop dan een makkelijke en goedkope oplossing. Maar het slopen van deze gebouwen kan in veel gevallen een dubbele vernietiging betekenen: niet alleen wordt de materiële waarde van het gebouw vernietigd, ook gaat vaak de (culturele) meerwaarde voor de omgeving verloren.